Mijn naam is Olivia Nicodemus. Mijn ouders heten Casimir Nicodemus en Manon Moersma, ze zijn allebei overleden toen ik nog een kind was. Ik ben dus een wees. Ik woonde vroeger in Droomzicht in een groot huis met een tuin met veel bloemen en planten. Ik had daar heel veel vrienden en vriendinnen en ik zat op een leuke school.
Op een dag toen ik zeven jaar was, kwam mijn tante Olijfje logeren bij ons. Ze is een zus van mijn moeder en ze woont in Vreemdvoort. Mijn vader vond dat niet leuk, want hij mocht tante Olijfje niet zo, hij noemde haar een ouwe heks. Maar mijn moeder zei dat we aardig tegen haar moesten zijn, want tante Olijfje had veel nare dingen meegemaakt. Ze was ooit verloofd geweest met een graaf en die was vlak voor de bruiloft overleden. Ze is daarna nog een keer getrouwd en al jong weduwe geworden. Daarom was ze een beetje verbitterd, zei mijn moeder. Maar echt leuk vond ze het zelf ook niet, dat tante kwam logeren.
Dat veranderde al snel, want vlak daarna werd mijn moeder ziek. En tante Olijfje heeft heel goed voor haar gezorgd, ze maakte iedere dag paddestoelensoep, van paddestoelen die ze zelf geplukt had en met verse kruiden. Het heeft niet mogen baten, binnen een week was mijn moeder overleden. Mijn vader was daar zo verdrietig van, dat hij met zijn auto in een ravijn reed. Hij was dronken zeiden ze. Maar dat vond ik raar want mijn vader dronk anders nooit.
Tante Olijfje was de enige erfgenaam en zij nam mij mee naar Vreemdvoort. Daar woon ik nu nog steeds. Het is helemaal niet leuk hier. Tante Olijfje werkt 's nachts en overdags slaapt ze. Het huis is heel ongezellig met allemaal oude meubels en de tuin is nog veel minder leuk, daar heeft ze een compleet kerkhof ingericht met bijna twintig graven. Mijn ouders liggen er begraven, en ook haar verloofde, de graaf E. Dat staat op zijn steen 'Hier rust Graaf E." Heeft hij verder geen naam? Ik heb het wel eens aan tante gevraagd, maar ze geeft nooit antwoord.
Vreemdvoort is heel anders dan Droomzicht. Het is in een woestijn en het is er altijd heet. Er groeien weinig planten en dan vooral cactussen en palmbomen. Met die hitte ga je trouwens toch niet eens lekker in je tuin zitten, dus ik zit vooral binnen, onder de plafondventilator om mijn huiswerk te maken. Als ik mijn huiswerk af heb, krijg ik eten van tante en daarna ben ik altijd heel erg slaperig. Ik denk dat er iets in de pudding zit, want een keer heb ik het niet opgegeten omdat ik me niet zo lekker voelde en toen heb ik het stiekem door de wc gespoeld, toen tante naar de voordeur was omdat er iemand aanbelde. En die nacht lag ik heel lang wakker.
Als ik slaap heb ik vaak nachtmerries, dan zie ik de geesten van mijn vader en moeder en die willen altijd dat ik wegga, ik moet vluchten zeggen ze. Maar dat is natuurlijk maar een droom. Ik bof dat tante mij in huis heeft genomen, want anders had ik naar een weeshuis gemoeten, we hebben verder geen familie.
Vreemdvoort ligt ver van de bewoonde wereld. Tante Olijfje zegt dat zij vroeger de enige bewoner was en dat alles toen veel beter was. Veel rustiger ook. Volgens haar is het allemaal misgegaan toen dat ruimteschip neerstortte in de woestijn. Ineens kwamen er allemaal vreemde snoeshanen zich vestigen. Er kwamen mensen van het leger, ik ken een jongen op school en die zijn vader is een generaal.
Verder kwamen er hier van die groene mensen wonen. Ze kwamen uit het ruimteschip, zegt tante. En ze deugen niet volgens haar. Ik was eerst een beetje bang voor ze, maar bij mij op school zit een groene jongen, die heet Jacco. Zijn moeder is een aardmens en zijn vader is groen. Jacco lijkt op allebei een beetje. Zijn vader en moeder zijn erg aardig. Zijn moeder heet Janneke en ze is de juf op onze school.
Hier is een foto van mij en Jacco, ja we zijn verliefd. Maar dat mag tante niet weten, ze zou ontploffen als ze er van hoorde.
Onze school is heel klein, want er wonen hier maar weinig mensen in Vreemdvoort. We hebben twee klassen. Eentje voor de basisschool en eentje voor de middelbare school.
Er wonen in Vreemdvoort nog meer vreemde mensen. Er zijn allerlei geleerden op dat ruimteschip afgekomen. Zo wonen hier een stukje verderop vier broers die een rare toren hebben gebouwd op hun huis. Ze doen ruimteonderzoek, zegt de vader van Jacco. Ze zijn familie van zijn vrouw. Maar ik vind ze een beetje raar, ik blijf liever uit hun buurt. Verder loopt hier soms een jongen rond en die is niet helemaal goed bij zijn hoofd. Hij loopt altijd te bibberen en ze noemen hem Nerveus Figuursma, maar dat is een bijnaam. Ook is er een vrouw die haar geheugen kwijt is en ze loopt iedere dag te zoeken naar iets en ze weet niet wat. Ze heet Cora.
Ze is wel aardig maar, eh... raar. Eigenlijk is bijna iedereen hier wel raar. Mijn tante ook, met haar kerkhof.
Er is hier niet heel veel te doen. Vaak hang ik maar een beetje rond met mijn klasgenoten op het schoolplein of bij de winkels. Of we gaan naar het zwembad. Meer is er niet. Geen bioscoop of zo.
Veel tijd heb ik niet om rond te hangen, want ik wil altijd mijn huiswerk goed doen. Ik hoop nog steeds dat ik tante kan overtuigen dat ik naar de universiteit moet.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten